maandag 16 mei 2011

Kameraad Nieuwstad

M.G. Nieuwstad - de toekomstige schoonvader van mijn moeder, al weet ze dat nog niet – wordt in 1919 voor de communisten in de Gorcumse gemeenteraad gekozen. Hij vecht voor de belangen van arbeiders als haar vader. Zouden Kees en Koos wel eens op hem gestemd hebben? Veel arbeiders waren SDAP-ers, maar de communisten deden het in Gorinchem in die jaren getalsmatig beter dan de SDAP.

In 1919 gaan voor het eerst alle volwassen mannelijke Gorcumers naar de stembus. Voor die tijd mochten alleen heren met ‘een zeker inkomen’ hun stem uitbrengen. Twee linkse partijen nemen aan de verkiezingen van 1919 deel: de SDAP en de lijst ‘Communisten enz.’ Er komen twee SDAP-ers in de raad: Swaters en Maaskant. En drie communisten: het echtpaar De Boon en mijn opa Nieuwstad.














In de collectie van mijn neef Arnold Nieuwstad zit deze foto. Het lijkt een campagnefoto, maar waarschijnlijk niet voor de communisten.

Vijf van de vijftien zetels gaan daarmee naar links. Dat lijkt veel, maar is in de praktijk te weinig om veel verandering te brengen. Het echtpaar De Boon raakt snel gedesillusioneerd. Hij verlaat al in juli 1920 de raad, omdat hij in de politiek niet kan bereiken wat hij wil. Zij vertrekt iets later, en burgemeester Gaarlandt spreekt haar toe: ‘Het was van korten duur en blijkt dus een illustratie van het meermalen waargenomen verschijnsel, dat het raadslidmaatschap voor de vrouwelijke leden te veel beslommeringen medebrengt’ (Handelingen 1920, p. 202). De ideeën van Wilhelmina Drucker waren blijkbaar niet aan hem besteed (en die van de communisten waarschijnlijk ook niet).















Marinus Gerardus Nieuwstad sr.


Rienus Nieuwstad laat zich niet zo snel ontmoedigen. Waar maakt hij zich hard voor? Ik zoek het op in de Handelingen van de Gorinchemse gemeenteraad. Het is voorspelbaar: een betere positie voor arbeiders (hogere lonen en lagere belastingen), goede en betaalbare woningen. En heel herkenbaar, al tellen de bedragen waar het toen om ging wat minder nullen dan we nu gewend zijn.

De Gemeentelijke Gasfabriek is verliesgevend. Wanbeheer, betoogt raadslid Nieuwstad. Niettemin willen Burgemeester & Wethouders de directeur een minimum tantième van duizend gulden toekennen. Is dan niet juist die directeur verantwoordelijk voor de wanprestaties van het gasbedrijf? Uiteindelijk volgt ‘privatisering’: de gasfabriek wordt verkocht aan de Nederlandsch Indische Gasmaatschappij uit Rotterdam (later OGEM). De schuldenlast is opgelopen tot meer dan vier ton en de gemeente kan het bedrijf niet meer overeind houden. Het bewijst zijn gelijk, betoogt raadslid Nieuwstad. Maar wat koopt Gorinchem daarvoor?

In 1923 - als ook de Gorcumse vrouwen mee mogen stemmen - valt de verkiezingsuitslag minder gunstig uit voor links. Beide partijen verliezen een zetel. In 1926 stapt Rienus Nieuwstad uit de raad, om persoonlijke redenen. Maar hij blijft in de stad bekend als overtuigd communist.

De familie in Veen

In de zomervakantie trok Koos met de kinderen naar Veen, waar ze vandaan kwam. Kees kwam alleen in het weekend. Ze logeerden er soms meerdere weken, vermoedelijk bij de vader van Koos: Frederik van Rijswijk (van 23 oktober 1858). Zijn vrouw Cornelia van Rijswijk (van 29 december 1863) was er al niet meer. Zij overleed op 13 februari 1911, 47 jaar oud. Mijn moeder heeft haar oma van moederskant dus nooit gekend.  

Jacoba/Koos had twee oudere broers: Dirk en Cornelis. ‘Ome Dirk’ woonde later in Sliedrecht. Daar ging het gezin Versluijs wel eens logeren, ‘en dan sliepen ze met z’n vijven in de bedstee’, vertelde mijn moeder. Alleen: dat kan ome Dirk niet zijn geweest, want die bleef in Veen en Wijk wonen en stierf in 1910 (toen al vader van vier jonge kinderen). Caroline Branderhorst van de gemeente Aalburg heeft de gegevens van de familie voor me opgezocht. Het moet Cornelis zijn geweest. Die trouwde in 1911 met Cornelia den Dekker; het paar ging wonen in Sliedrecht.  

Na Dirk, Cornelis en Jacoba/Koos komt de eerste Frederik. Dit jongetje overlijdt als hij net 2 jaar is. Na hem komen drie meisjes: Anneke, Pieternella en Antonia. Antonia wordt maar 4 maanden oud. Een jaar later volgt een tweede Antonia. Dat is de taaie tante Tooi, die op haar beurt vijftien kinderen zal krijgen. De zoon die daarna wordt geboren krijgt de naam van zijn overleden broertje: Frederik. Hij haalt de twee jaar net niet. Dan komt Anna (tante An, die zal tekenen voor negentien kinderen), en daarna – het verbaast me dat ze die naam nog durven gebruiken; vader móet vernoemd, blijkbaar – weer een Frederik. Deze Frederik wordt 4 jaar. Hij heeft voor hij sterft nog een broertje gekregen: Teunis.















Een zus van Koos, maar welke? Mogelijk Tooi, met haar oudste dochters Kee (Cornelia) en Maai














Zou dit An zijn? Of toch weer Tooi?


Moeder Cornelia van Rijswijk, de andere oma/opoe van mijn moeder, is 42 jaar als ze haar laatste kind krijgt. ‘Ome Teun’ wordt na het overlijden van zijn moeder opgevoed door zijn 15 jaar oudere zus Pieternella (‘tante Piet’), die in 1910 is getrouwd en zelf geen kinderen krijgt. Als Teun sterft, zal hij ál zijn neven en nichten, onder wie mijn moeder, iets nalaten. Hij moet goede herinneringen aan hen hebben gehad.  

De gezinnen van de ooms en tantes uit Veen waren natuurlijk in de schooltijd van mijn moeder, van 1919 tot en met 1926, nog niet compleet. Maar de oudste kinderen zijn er al, onder aanvoering van ‘Kee’ (Cornelia, 1911), de oudste dochter van Tooi. In 1920 heeft tante Tooi al zeven kinderen, tante An pas drie. Zomer 1926 is de stand 10 - 7.

Tooi en An trouwen met de broers Timmermans: Adrianus (van Tooi) en Frans (van An). Ze noemen allebei twee kinderen naar de grootouders Timmermans: Maaike en Matthijs. De Maaike van An ligt in 2010 in het ziekenhuis van Gorinchem toevallig in de kamer naast die van mijn moeder. Ik hoor haar nog zeggen: ‘Zijde gij Cor van tante Koosje en oom Kees?’  

Uit mijn kindertijd herinner ik me een blozende, stevige vrouw met een jurk, een schort en een grijs knotje. Tante An? Of tante Tooi? Ook heb ik nog een beeld van een schriel vrouwtje, met zo’n zelfde knotje. Mijn moeder hield altijd contact met de familie uit Veen, ook na het overlijden van haar moeder in 1951. Tante An overleed in 1974, tante Tooi in 1975.

zondag 1 mei 2011

Kees, Koos en kinders

Mijn moeder vertelde altijd dat ‘haar’ enige kinderfoto na het overlijden van haar moeder bij haar broer Kees en zijn vrouw terecht was gekomen. Dit moet die foto zijn, dacht ik, uit het album van hun zoon Cees Versluijs. De foto is zichtbaar vaak van hand tot hand gegaan. Kees jr. staat erop, zo’n anderhalf jaar oud. Maar kan het meisje links achter wel mijn moeder zijn? Als ik in gedachten deze dametjes een spijkerbroek en een T-shirt aantrek, schat ik ze op een jaar of 10. Het meisje moet Gera Versluijs zijn. 

















Op dezelfde dag zal de foto hieronder zijn gemaakt, van het andere meisje, waarschijnlijk samen met haar broertje. Ik denk dat zij Jannie (Jannigje jr.) is, de dochter van ‘ome Bas en tante Driek’, met haar één jaar jongere broer Adriaan. Jannie was een leeftijdgenootje van Gera.

















Neef Cees heeft ook een gaaf exemplaar van een gezinsfoto die ik eerder licht beschadigd tegenkwam in de verzameling van Bep. Links achter Frits, links voor Gerrit en rechts voor Kees jr. Kees sr. heeft zijn snor zorgvuldig opgedraaid, Koos houdt haar jongste bij zich. Het is een mooie foto, die ook een beetje pijn doet. De twee dochters ontbreken.




















Frits en Gerrit kijken heel onschuldig. Maar het waren donderstenen. Mijn moeder vertelde hoe ze op zomeravonden met een gietertje water uit het slaapkamerraam hingen, als in het Anna’s hofje de mensen na een lange werkdag op een bankje voor hun huis zaten te ‘mouwen’. Niet alle buren vonden het leuk om een scheut water in hun kraag te krijgen. Als Koos naar boven kwam om ze tot de orde te roepen, lagen haar lieverdjes natuurlijk zogenaamd te slapen. En kregen ze zogenaamd een pak slaag, om de buren tevreden te stellen.

Nu missen we alleen mijn moeder nog. Er moet een foto zijn, maar die ga ik waarschijnlijk nooit vinden. Hoe zag zij eruit als kind? Ik vermoed dat ze een wat tengerder uitvoering van haar zus Gera was. Nicht Bep heeft een foto waarop haar moeder een jaar of twee is. En een klassenfoto van OLS no. 2. Daarop moet Gera ongeveer zes jaar zijn. Ze staat naast de juf(fen).


donderdag 28 april 2011

Gerrit en Jannigje krijgen een gezicht

Dat mijn moeder weinig foto’s van vroeger had, wil nog niet zeggen dat er geen foto’s bestaan. Mijn moeder hechtte niet zo aan foto’s en hield erg van 'ruimen'. Niet meer nodig? Weg ermee! Misschien zaten haar zus en broers anders in elkaar. Ik neem contact op met hun kinderen, mijn neven en nichten. Hebben zij nog foto’s van vroeger?

Mijn oudste nicht, Bep, de dochter van Gera Versluijs, heeft een schat aan foto’s. De foto’s van Cees Versluijs, de zoon van Frits, vullen die op onderdelen aan. De dochter van Gerrit jr. brengt een doos met oude foto’s mee, waarin opnieuw verrassingen zitten. En de zoon van Kees jr. tovert een kinderfoto van zijn vader met een van zijn zussen (mijn moeder? Of Gera?) tevoorschijn (en meer). Eerst maar eens de oudste generatie een gezicht geven.  

Hier zijn ze dan: mijn overgrootouders Gerrit en Jannigje Versluis, op de foto  met hun zoons Cornelis (mijn opa, links achter op de foto) en Bastiaan. Ik zie ze op deze foto voor het eerst.


















Hoe oud zullen ze zijn? Ik schat de zoons op een jaar of 40, opoe en opa zouden dan rond de 65 moeten zijn. En waar is de foto genomen? Ik doe een gok. In de tuin van Du Croo stonden theehuizen. Dit zou best zo’n theehuis kunnen zijn. Bastiaan leek op zijn moeder, zie ik, en Cornelis op zijn vader. Had opoe een lang gezicht, zoals mijn moeder altijd zei? Wel een beetje, zo te zien.

Daar kon opoe natuurlijk niets aan doen. Maar ja, zei mijn moeder, als ze dan eens naar buiten ging, zette ze tot overmaat van ramp een oude, vrij hoge hoed op die haar gezicht nóg langer maakte. Die hoed werd elk jaar geverfd, want een nieuwe kon er niet af. Mijn moeder moest dan mee en schaamde zich voor haar opoe die ook nog overal een praatje maakte. Een vriendin van haar had een opoe met een schattig wit mutsje. Met zo’n opoe kon je ‘voor den dag komen’.

Toch hield ze natuurlijk veel van opoe, die haar kleinkinderen graag wat geld toestopte voor snoep. Gera beschrijft in Oud Gorcum Varia 22 hoe dat ging. Van mijn moeder hoorde ik hetzelfde. ‘Opa ging altijd vroeg naar bed om half negen want die moest ’s morgens vroeg naar melkes. Hij sliep in de bedstee en legde zijn broek er naast op een stoel. Als opoe dacht dat hij sliep zei ze tegen mij: Zus ga eens zachtjes naar zijn broek en probeer zijn portemonnaie er uit te krijgen en dan moet je er wat kleingeld uithalen (……) De andere dag zat opa ’s avonds in zijn portemonnaie te kijken en zei: ik dacht dat ik meer geld had. Jij kan zooveel denken zei opoe dan’ (p. 175).

Verjaardagscadeaus lieten de kinderen Versluijs altijd eerst aan opoe zien. Dat hoorde erbij, anders was je niet echt jarig, vertelde mijn moeder. Bijvoorbeeld een keer een stoommachientje. Dat vloog in brand bij opoe op de kachel. Opoe in paniek, natuurlijk. Of het cadeau daarna nog werkte, vertelt het verhaal niet. Maar ik weet het wel. Want dit stoommachientje staat bij Cees Versluijs, de zoon van Kees jr., op de kast. Volgens zijn vader was het afkomstig van de Tinekeshoeve. Het was een keer gerepareerd. Mogelijk voor de ‘brand’, om het cadeau te kunnen geven. Mogelijk erna. Hoe dan ook: het werkt nog steeds, Cees heeft dat proefondervindelijk vastgesteld.









Later vind ik bij toeval deze advertentie in het Nieuwsblad voor Gorinchem en omstreken van 7 november 1924.  Kees Versluijs is van 1885. Hij was in 1924 dus 39 jaar. Het lijkt erop dat de foto van Gerrit en Jannigje ter ere van hun 40-jarig huwelijksfeest is genomen, bij de Tinekeshoeve. 

woensdag 20 april 2011

Plattegrond boven water

Zou er niet toch iets meer te vinden zijn over de woningen aan de Visschersdijk? Ik besluit het nog een keer te proberen. Het lukt, dankzij het feit dat de woningen zo slecht waren.

In eerste instantie vraag ik naar een bouwvergunning voor het Anna’s hof, in de veronderstelling dat daar bouwtekeningen bij zullen zitten. Dat blijkt begin vorige eeuw nog niet de gewoonte. René van Dijk zoekt voor me uit dat het Anna’s Hofje, genoemd naar Anna du Croo, in 1882 is gebouwd door Anna’s echtgenoot Evert ter Haar. Niet door Du Croo dus. Wel verkocht Evert het in 1908 aan zijn schoonvader. Er is een plattegrond uit 1930. 

Die plattegrond komt voort uit problemen. In 1930 stelt de wethouder van Openbare Werken in de Gorinchemse raad de minderwaardige toestand van de woningen aan het Anna’s Hofje aan de orde. De eigenaar – dat is inmiddels C. van Seters, en die is van de azijnfabriek, weet René van Dijk – protesteert schriftelijk tegen deze aantijgingen. Uit de brief komt hij naar voren als een echte azijnpisser. De wateroverlast in de woningen is de schuld van de gemeente, die te laat is gaan pompen.

Burgemeester en Wethouders vragen daarop advies aan Gemeentewerken. Uit de reactie van de directeur van Gemeentewerken blijkt dat de riolering van het hofje gebreken vertoont. De eigenaar lijkt niet bereid tot reparatie; volgens hem is het riool in orde. Gemeentewerken heeft naar aanleiding van deze kwestie de woningen laten opnemen en meer gebreken geconstateerd. De directeur van Gemeentewerken stelt de raad voor de eigenaar aan te schrijven. 


Dankzij die opname is er een plattegrond van de situatie in 1930. De woningen aan de Visschersdijk blijken bouwtechnisch onderdeel van het Anna’s Hofje. De bovenwoningen hebben een ingang aan de Visschersdijk, de benedenwoningen aan het hofje dat daarachter ligt. Zoiets vermoedde ik al. De woningen A263 en A264 werden omgenummerd naar 36 en 38. Op nummer 36 woonden Gerrit, Jannigje en Gera. Op nummer 38 woonde tot mei 1927 mijn moeder met haar ouders en haar drie broers.

Hun woonkamer was 3.50 bij 4 meter, de slaapkamer was 3 bij 4.75 meter. Halverwege de trap naar boven is een ‘bordes’. Daar sliep mijn moeder. Een keuken is niet benoemd. Wel in het buurhuis, dat van opoe en opa Versluis, die er in 1930 nog wonen. Hun WC is in die keuken, plus een bedstee. Kees en Koos hadden een WC in de slaapkamer. Uit een bijdrage van Nico van Heumen aan Oud Gorcum Varia (nr. 26) kan ik opmaken wat voor WC dat moet zijn geweest. Van Heumen beschrijft de woningen aan de Dalemstraat: ‘Doortrekken was er toen nog niet bij; een emmer water diende voor de doorspoeling’ (p. 50). Wel een ‘watercloset’ dus, aangesloten op de riolering. Maar dat water moest je zelf halen. 

vrijdag 15 april 2011

Tante Ort en ome Rien

Mijn moeder logeerde graag bij ‘tante Ort en ome Rien’ in Vogelswerf. Ome Rien was van het veer tussen Vogelswerf en Kedichem. Samen met tante Ort dreef hij het café bij het veer. Mijn moeder vond het er heel gezellig. Tante Ort kaartte graag met de gasten, en dan mocht mijn moeder de borreltjes inschenken, in leuke kleine glaasjes. En laat naar bed natuurlijk, in een bedstee zonder deurtjes, met een bloemetjesgordijn. Ze bracht er elke dag de geit een kom met het vocht dat bovendreef als karnemelk bezonken was. Dat vond hij erg lekker.















Er waren daar allemaal ongetrouwde broers in huis. In Veen (waar ze ook vaak logeerde, bij de familie van Koos) moest ze altijd al die ooms opnoemen: Rienoom, Manusoom, Japoom, Aartoom, Keesoom.
Aartoom was een rare: hij gooide het eten dat hij niet lustte op oma’s bord. Eén van de ooms had naar goud gezocht in Amerika.
Was dat waar? En had hij wat gevonden?  

In het gemeentearchief van Leerdam vond ik ome Rien: Marinus, een jongere broer van Gerrit Versluis, geboren in Kedichem op 23 november 1866. Hij was dus een oudoom van mijn moeder. Maar wie was ‘tante Ort’? In het bevolkingsregister van Kedichem staat dat Marinus op 18 juni 1901 naar Heukelum vertrok. Het archief van Heukelum ligt in Gorinchem, verhuizen dus maar.

In het bevolkingsregister van Heukelum wordt Marinus op 20 juni 1901 ingeschreven als lid van het gezin van Arie Muilwijk en Willemijntje Zwakhals. Zij hebben 11 kinderen. Eén van hun dochters moet ‘tante Ort’ zijn. Na enige tijd dringt tot me door dat dit dochter Aartje moet zijn, geboren op 4 maart 1872. Op z’n Vogelswerfs – het buurtschap waar zij woonde – werd dat ‘Ort’.
Rien is niet de enige aangetrouwde familie in huis: ik zie nog een weduwe, een schoondochter en vier kleinkinderen op de lijst.
Zoon Jasper vertrekt op 9 februari 1900 naar Amerika. De goudzoeker! Hij geeft het zoeken niet snel op, want pas op 4 maart 1903 is hij weer terug.

Aron de Vries van het gemeentearchief tovert nog een loodzware kaartenbak uit Heukelum tevoorschijn. Daarin vind ik de gezinskaart van Marinus Versluis. Aan de Zuiderlingedijk 282 woont hij met zijn vrouw Aartje, dochter Wilhelmina (die ik ken als ‘Mijntje’), zoon Cornelis (Kees, die het café van hem zal overnemen), vier zwagers en – later – schoonzoon Jan van Ginkel plus kleinzoons Wouter en Marinus.
Zoals Rien inwoonde bij zijn schoonvader, zo woont later zijn eigen schoonzoon in bij hem.
Volgens mijn tante Gera woonde schoonvader Muilwijk voor zijn dood ook in bij tante Ort. Of was het andersom en bleef Ort in het ouderlijk huis? Arie Muilwijk woonde op het adres Zuiderlingedijk 206, een stukje verderop.














Dan blader ik een fotoboek door, samengesteld door Arie Sterk. ‘Spijk in vroeger tijden’ heet het, deel 2, Vogelswerf (Oostvoorne, Deboektant). Op p. 63 zit ome Rien, in zijn veerboot. Het café staat op p. 61, en op p. 64 staat een foto van de veerstoep aan de kant van Kedichem.














Er is ook nog een groepsfoto van een uitstapje voor bejaarden in 1951. Hun namen staan eronder. Eén van hen is Ort. Het bijschrift klopt niet helemaal, tenzij Ort op latere leeftijd een flinke hangsnor ontwikkelde.  

Bij de foto’s vertelt Sterk diverse anekdotes. Zoals deze: ‘In barre winters, als de Linge bevroren was, werd er een pontgat opengehouden door middel van een grote trekzaag met aan de onderkant een zwaar gewicht. Daarnaast werd dan nog een pad gemaakt met stro en zand voor voetgangers. Wie daarvan gebruik maakte moest wel betalen, maar werd, als dat nodig was, ook geholpen. Men kon dan ‘d’n Ouwe Rien’ flink in het harnas jagen en laten brommen, door 10 meter verderop de Linge over te steken’ (p. 63).       

woensdag 13 april 2011

Feest in Kedichem

De ‘Versluizen’ stonden bij ons thuis bekend als een sterk geslacht. Mijn moeders opa, Gerrit, werd 96 jaar. Ook zijn ouders werden indrukwekkend oud. Wie zijn kindertijd doorkwam, kon ook in die tijd een hoge leeftijd bereiken. Vooral de relatief hoge kindersterfte drukte de gemiddelde leeftijd  (De Heimweefabriek, p.16). En natuurlijk was er aan sommige kwalen nog weinig te doen. Je moest het geluk hebben dat je die niet kreeg. 

Mijn moeder vertelde over een bruiloftsfeest van haar overgrootouders in Kedichem. Ze had daar als kind graag naartoe gewild met de Tilbury, maar als ik het me goed herinner mocht ze uiteindelijk niet mee en gingen ze bovendien niet met de elegante Tilbury (van Du Croo) maar met een gewone boerenwagen. Wanneer was die bruiloft?

In het gemeentearchief van Leerdam vind ik mede dankzij de behulpzame Ans Kok de ouders van Gerrit: Cornelis Versluis (geboren op 4 augustus 1831) en Pleuntje van der Plas (geboren op 17 januari 1837). Cornelis en Pleuntje trouwen op 27 maart 1858. Op 27 maart 1908 waren ze dus vijftig jaar getrouwd, maar toen was mijn moeder nog niet geboren. Was het feest dan 10 jaar later, in 1918? Mijn moeder was toen bijna 5. Dan moeten Cornelis en Pleuntje de 60 jaar huwelijk hebben vol gemaakt. Kan dat? De website genlias.nl  biedt uitkomst. Pleuntje overlijdt in 1920, ze is dan 83 jaar. En Cornelis in 1922, 91 jaar oud. Dus dat kan.

Meteen maar even kijken naar hun kinderen. Cornelis en Pleuntje krijgen er in totaal acht. Gerrit, mijn overgrootvader, is de oudste. Hij wordt geboren op 17 februari 1860. Dan komen Willem, Marinus, Arie, Laurens, Cornelis, Maaike en Anna. Anna, hun laatste, is van 18 mei 1881. Alleen Marinus (‘ome Rien’) en Arie (‘ome Aai’) ken ik uit verhalen. De eerste was een populair logeeradres van mijn moeder, de tweede juist niet.

‘Ome Aai’ trouwde met een veel jongere vrouw, ‘tante Lien’. Mijn moeder vond het als kind maar niets dat zijn vrouw steeds bij hem op schoot zat te knuffelen. Dat deden Kees en Koos blijkbaar niet. Ze stond dan verlangend op de dijk te denken: als ik die kant op ga, kom ik thuis. Maar ze moest wachten tot ze werd gebracht, achterop de fiets.
  
‘Tante Lien’ blijkt Mechelina Goverdina de Graaf te zijn geweest (genlias.nl). Op 15 november 1922 trouwt Arie Versluis met haar, in Dussen. Hij is dan 52 jaar, en mijn moeder is 9. Arie overlijdt in 1942, in Heukelum. Waarschijnlijk was die dijk dus de Spijksedijk, die overgaat in de Zuiderlingedijk.