donderdag 19 januari 2012

Een andere link met Leendert

Bij toeval stuit ik in het digitaal krantenarchief op een mogelijke verklaring van de tijdelijke liefde voor zwemmen van mijn moeder. Zelf zag ik haar zelden in badpak. Deels omdat ze waarschijnlijk vond dat zoiets haar niet meer flatteerde, maar zeker ook omdat ze niet zo dol was op zwemmen. Toch vertelde ze altijd dat ze vroeger na haar werk graag naar het zwembad ging. Indertijd lag dat in de Merwede, niet ver van haar huis. Ze had altijd commentaar op de gebreide badpakken van die tijd. In droge toestand ging het nog, maar eenmaal nat raakten ze uit model.

Leendert lijkt de link. Hij moet goed hebben kunnen zwemmen, want begin 1933 wordt hij lid van de Reddingsbrigade. Hij schopt het van penningmeester tot voorzitter, en organiseert o.a. medische cursussen voor eerste hulp bij ongelukken. Dokter De Zwaan geeft die cursussen in een oefenlokaal aan de Zustersteeg. Kosten: 50 cent. Mijn moeder volgt zo’n cursus. In februari 1934 haalt ze haar diploma. Tegelijk met Leendert.


Zijn er zwembadfoto’s? Niet in onze collectie, maar wel in die van tante Gera. Ik herken er niemand op.


Tussen de foto’s van Bep zit wel een andere ‘zwemfoto’, volgens Bep genomen op een strandje in Woudrichem. Wanneer? En door wie? Misschien wel door Leendert. Bep is geboren op 3 september 1929. Op deze foto schat ik haar op een jaar of vier. Mijn moeder poseert zorgvuldig, wat doet vermoeden dat ze graag op haar voordeligst op de foto komt.

vooraan Gera en Bep, achter Cor, Kees en Dries
De heren zijn niet in zwempak (zwembroeken had je toen nog niet). Dat is vreemd. Misschien kwamen ze pas later, of hadden ze zich alweer verkleed.  

dinsdag 10 januari 2012

Witte alpinopet

De eerste grote liefde van mijn moeder was - dachten wij - een goed bewaard geheim in onze familie. Ze was met hem verloofd en spaarde al voor een uitzet toen het plotseling ‘uit’ was. Een pijnlijke geschiedenis, waarover bij voorkeur werd gezwegen. Niettemin werden diverse onderdelen van de uitzet in haar latere huwelijk in gebruik genomen. Waren het de theelepeltjes, of toch de gebaksvorkjes?

De geheimzinnige verloofde kreeg bij mijn bezoekjes aan neven en nichten al snel een naam: Leendert Burghoorn. Nicht Bep had zelfs een foto van het verloofde paar. Daarop trekt mijn moeder niet alleen een raar mondje - wat haar blijkbaar toen al lastig te fotograferen maakte -, maar draagt ze ook een witte alpinopet. Ooit, toen ik zelf een zwarte had aangeschaft, vertelde mijn moeder dat zij vroeger een witte had gehad. Ze had daar duidelijk goede herinneringen aan. Dat ze zich met die pet op had verloofd met Leendert, vertelde ze er niet bij.
Wij kenden alleen het beroep van de verloofde: goudsmid. Mijn zus heeft nog een ragfijn gouden hangertje, dat hij voor zijn vriendinnetje Cor had gemaakt.















foto ca. 1933


Met de zoekterm Leendert Burghoorn kom ik een heel eind in het krantenarchief. De familie Burghoorn komt uit Schoonhoven naar Gorinchem. Vader Burghoorn heeft een functie in het leger. Leendert is de oudste zoon, geboren in 1912. In maart 1929 komt hij van de ambachtsschool, afdeling smeden en machinebankwerken. Mogelijk ging hij daarna nog naar de Zilverschool in Schoonhoven. Dat is niet meer te achterhalen.
Het gezin Burghoorn woont in ‘Zandvoort’, in de Elsje van Houweningenstraat.  Dichtbij het kantoor van De Vries Robbé, én dichtbij het huis van de familie Nieuwstad. In april 1939 verlooft hij zich met Cootje van der Leeden uit Leerdam. Op 17 mei 1940 - als de oorlog net is begonnen - overlijdt hij na een auto-ongeluk. Hij was pas 28 en werkte als constructietekenaar bij De Vries Robbé. In het Nieuwsblad voor Gorinchem en omstreken staat op 22 mei 1940:


Hoe lang hebben Leendert en Cor verkering gehad? Ik vermoed van 1930 tot ongeveer 1935. Neef Cees (van Frits) vertelde dat mijn moeder altijd met zijn moeder, Cor van den Berg, ‘Hoogstraat-Langendijk’ wilde lopen om Leendert maar tegen te komen. Ze was érg verliefd. Cor van den Berg kende Frits sinds 1927, en Frits ging in oktober 1929 bij de marine. Zijn vriendinnetje bleef alleen achter in Gorcum. Mijn moeder was toen 16 jaar. In 1937 duikt mijn moeder op in een fotoalbum dat is gemaakt door mijn vader.

Dat sparen voor de uitzet had nog heel wat voeten in de aarde. Cor droeg haar loon immers volledig af aan haar ouders. Uiteindelijk trekt ze de stoute schoenen aan en vraagt een deel voor zichzelf.     

vrijdag 16 december 2011

Tantième

Bij De Vries Robbé  krijgt Cor tantième. Dat was wat: een extraatje waar je niets voor hoefde te doen. Het plezier is van korte duur, want thuis koopt moeder Koos er een jekker van, bestemd voor opa Van Rijswijk uit Veen. Dat daar naast die jekker regelmatig geld naartoe gaat, is vader Kees een doorn in het oog. Het was niet nodig geweest als Frederik zijn erfenis er niet door had gedraaid. ‘Maar ja’, zei Koos dan, ‘het is toch mijn vader’. En legde in het geheim elke week een gulden voor hem opzij. Cor kreeg af en toe de opdracht die guldens naar Veen te brengen, op de fiets. Eerst met het veer naar Sleeuwijk, en dan de dijk af.

Van wie erfde opa Frederik, en hoeveel eigenlijk? Hij gaf er zijn kinderen elk 1000 gulden van, dus het moet een voor die tijd substantieel bedrag geweest zijn. Zeker als hij nog wat over had om ‘erdoor te draaien’. Frederik overlijdt op 30 oktober 1932, als zijn kleindochter Cor 19 jaar is. Ze ging werken op haar dertiende, en toen was die erfenis al op. Cors nichten Co en Truus weten van wie de erfenis kwam: van ‘tante Heintje’ Vervoorn. Zij was getrouwd met dominee Laatsman, en die had geld. Wie was zij?

Op internet is gemakkelijk te vinden dat Heintje Vervoorn overleed op 10 april 1915, in Heusden. Willem Laatsman stierf twee maanden eerder, op 11 februari. Heintje was op 24 december 1902 met hem getrouwd, op haar 36e. Haar ouders waren Antonia van Rijswijk en Kornelis Vervoorn. Antonia moet de link zijn.

Heintje werd geboren op 16 maart 1866. In het streekarchief van Heusden vind ik haar geboorteakte. Haar moeder Antonia was ongehuwd. Heintje wordt aangegeven door ene Frederik Rochat, oud 65 jaar. En niet door Kornelis Vervoorn, die in haar huwelijksakte als haar vader wordt genoemd.
Antonia trouwt pas op 5 april 1879 met Kornelis. Heintje is dan 13 jaar. Niets wijst erop dat Kornelis het kind later officieel heeft erkend, maar Heintje gebruikte blijkbaar wel zijn achternaam.  

Volgende vraag: wie was Antonia van Rijswijk? In haar huwelijksakte staat dat ze op 9 maart 1836 is geboren. Wie haar vader was, is niet bekend. Haar moeder was ene Anneke van Rijswijk. Deze Anneke vind ik terug in een stamboom die ik van mijn neef Frits Versluijs (de zoon van Gerrit) heb gekregen. Anneke is een anderhalf jaar jongere zus van Judik van Rijswijk. Judik krijgt op 8 maart 1834 een dochter van een onbekende man. Net als Anneke noemt ze haar dochter Antonia. Judiks Tonia  krijgt op 23 oktober 1858 een zoon: Frederik van Rijswijk. Ook Tonia is niet getrouwd. En ook Frederik wordt aangegeven door Frederik Rochat (misschien is hij zelfs naar hem vernoemd).

Wat een oerwoud. Wat nu in elk geval duidelijk is, is dat Frederik en Heintje achterneef en - nicht zijn. Minder duidelijk is waarom juist Frederik van Heintje erft. Ik heb wel een vermoeden. Judik van Rijswijk wordt maar 34 jaar: ze overlijdt als haar dochtertje pas drie is. Anneke kan haar nichtje in huis genomen hebben. Annekes eigen Antonia en Judiks Tonia, die maar twee jaar scheelden, zijn dan als zussen opgegroeid. Allebei krijgen ze, net als hun moeders voor hen, ongehuwd een kind. Dat schept een band. Dat dezelfde man hun kinderen aangeeft, duidt erop dat ze nog op hetzelfde adres wonen. Ook Frederik en Heintje kunnen samen opgegroeid zijn. Frederiks moeder trouwt op 31 maart 1859 met Dirk van Gammeren. Frederik is dan 5 maanden oud. Ook voor dit kind geldt: niets wijst erop dat Dirk het kind later heeft erkend. Frederik houdt de naam Van Rijswijk. Misschien is hij wel bij Anneke en (tante) Antonia in huis gebleven.










In het streekarchief in Heusden ga ik op zoek naar het testament van Heintje. Ik vind het niet. Wel vind ik in het (gedigitaliseerde) Nieuwsblad van Heusden en Altena van 19 juni 1915 een artikeltje over het ‘erfhuis’. Wie zou die gulden voor de preekstoel hebben geboden?

Co en Truus vertellen dat hun vader, de man van tante Tooi, Frederik had aangeraden het geërfde geld op de bank te zetten. Hij had dan van de rente kunnen leven. ‘Jij bent zeker bang dat er niets voor jou overblijft’, was Frederiks reactie. Hij schijnt het geld verloren te hebben door borg te staan voor anderen.

Wat deed Koos met haar 1000 gulden?  Ik kan er alleen maar naar raden. In april 1915 overleed Heintje, en in november van datzelfde jaar verhuisde het gezin Versluijs naar de Vissersdijk. Misschien maakte die 1000 gulden de verhuizing mogelijk.       

donderdag 13 oktober 2011

Al wat jong is moet gaan varen

Gerrit en Frits, de oudere broers van mijn moeder, trekken veel met elkaar op. Volgens mijn neef Frits, de zoon van Gerrit, speelden ze graag buiten de Dalempoort, aan de rivier. Mijn moeder vertelde vaak dat ze de rivier over zwommen. Koos had het daar niet op, en naaide in een poging het te voorkomen met een paar steken hun hemd dicht. Dat werkte natuurlijk niet.

Gerrit doorloopt de ambachtsschool met glans: hij krijgt elk jaar een prijs. Hij wordt opgeleid tot elektricien. In 1924 begint hij, en in 1927 krijgt hij een getuigschrift. Wat hij het jaar daarna doet, is niet duidelijk. Maar op 16 mei 1928 neemt hij vrijwillig dienst bij de marine, als leerling monteur. Op  15 oktober 1929 volgt zijn oudere broer Frits, als leerling torpedomaker.
















matroos Gerrit
















matroos Frits

Hoe kwamen ze op het idee om bij de marine te gaan? Gorcum was een garnizoensstad, dat wist ik wel. Maar de marine? Heel vreemd blijkt dat niet. Van juni 1921 tot oktober 1926 ligt opleidingsschip ‘De Schorpioen’ in de Vluchthaven. De marineopleiding is behoorlijk ‘aanwezig’ in de stad. Er wordt geoefend op de rivieren, er zijn festiviteiten met muziek en sport: waarschijnlijk ziet het er allemaal heel stoer en aantrekkelijk uit.










De Schorpioen in de Vluchthaven

Vader Kees Versluijs is wel gecharmeerd van de marine. Eén van zijn argumenten was volgens mijn nicht Gerda (de dochter van Gerrit): ‘Je hebt altijd je bed bij je’. Dat zal niet het enige zijn geweest. Dienst nemen betekende ook: een gratis opleiding ( met aansluitend werk) en een gevulde maag.   

Rienus Nieuwstad, mijn opa, zat in de gemeenteraad toen in maart 1925 het voorstel om een kantine voor het opleidingsschip te bouwen aan de orde kwam. Volgens hem was de Schorpioen er vooral voor wervingsdoeleinden en moest de gemeente er niet in investeren.
Het is heel goed mogelijk dat het voor mijn ooms inderdaad zo heeft gewerkt. De opleiding kwam naar de stad toen Frits een jaar of 11 was. In 1926 was Gerrit 14. Op 29 maart 1922 drukt de Nieuwe Gorinchemsche Courant een lied van Speenhoff af, geschreven voor De Schorpioen: ‘Al wat jong is moet gaan varen’. Gerrit en Frits hebben er gehoor aan gegeven.  

vrijdag 7 oktober 2011

Twee nichten uit Veen

Nu ik eenmaal aan het zoeken ben geslagen, word ik steeds preciezer. Die oude foto’s uit Veen: zijn dat wel Tooi en An? Ik telefoneer een paar keer met Maaike van tante An (geboren in 1920), die ik in het ziekenhuis in Gorinchem heb ontmoet. Ze kwakkelt met haar gezondheid (en is inmiddels overleden). Ik bel de iets jongere Co van tante Tooi (geboren in1926) en ga met de foto’s bij haar langs.

Daar wacht me een verrassing. Het gezin van tante Tooi heeft een kroniek van de familie Timmermans – van Rijswijk samengesteld over de jaren 1885-2007. Het is een lijvig boekwerk, en ik krijg van Co’s zus Truus (geboren in 1930) na een gezellige middag met thee, bonbons en verhalen van vroeger een exemplaar mee naar huis.


















Eerst maar eens de foto’s. Eentje heb ik goed geraden: Tooi met haar dochters Kee en Maai (zie mei 2011, 'De familie in Veen'). Op de andere foto staan twee Pieternella’s: tante Piet met de kleine Nel van tante Tooi (geboren in 1919). Wat blijkt: Pieternella jr. woonde van haar vierde tot haar veertiende jaar bij tante Piet, die zelf geen kinderen had. Dat was een mondje minder in het grote gezin van Tooi, en ze was nooit ver, want tante Piet woonde ook in Veen. Uit het familieboek (p. 223): ‘Toen zij veertien jaar oud was en op een avond weer naar haar pleegouders moest, ging zij huilend weg. Vader Timmermans zag dat en vroeg wat er aan scheelde. Nel vertelde haar vader dat zij het gevoel had dat zij door haar echte vader en moeder was weggegeven en dat zij daarom zo verdrietig was.’ Haar vader haalde haar meteen terug. Ze woonde nog ruim drie jaar thuis. Drie weken voor ze 18 jaar zou worden, wordt ze aangereden. Ze overleeft het niet.









tante Piet (l.) en tante Tooi (r.), wat jonger nog dan ik ze heb gekend

Tante Tooi en haar man Janus verliezen die dag voor de tweede keer een kind. Hun zoontje Anton (geboren in 1923) wordt als hij ruim vier jaar is overreden op de Maasdijk in Veen. Er is geen enkele foto van hem. Zijn ouders bewaarden zijn klompjes.
Antons zus wordt tien jaar later naast hem begraven. Tooi bleef vanaf 6 oktober 1927 haar hele leven in de rouw. De bloemetjesjurk die ik me herinner, was er dus niet. Tooi droeg altijd zwart. Wel hadden haar schorten een patroontje. Gelukkig heb ik ook iets goed onthouden: het grijze knotje.








opoe Cornelia met twee van haar dochters



Nog maar even wat meer dood: dan hebben we dat gehad. Mijn moeders opa uit Veen, Frederik van Rijswijk, overleed op 30 oktober 1932. De rouwkaart is afgebeeld in het familieboek. Hij werd 74 jaar. Mijn moeder was toen 19. Cornelia, Frederiks vrouw, stierf al in 1911, op 47-jarige leeftijd. In het familieboek vind ik een foto van haar, voor het ouderlijk huis van mijn oma aan de Grotestraat in Veen. Weer een opoe met een wit mutsje! Rechts van haar staat Tooi. Links een oudere dochter. Het zou zomaar mijn grootmoeder Jacoba kunnen zijn.

donderdag 29 september 2011

Clazien Cornelissen

Mijn moeder vertelde wel eens over het kantoor van De Vries Robbé, maar jammer genoeg heb ik daar vrijwel geen aantekeningen van. Nieuwe werkneemsters werden er gewoon in het diepe gegooid: inwerken was er niet bij. Op haar eerste dag (wat we waarschijnlijk met een korreltje zout moeten nemen) moest ze een brief met doorslagen typen, terwijl ze nog nooit een typemachine had gezien. Ook vertelde ze wel eens hoe ze als ze post rondbracht haar te ruim zittende jurk – een afdankertje van Gera – wat bij elkaar nam, ‘zodat het nog wat leek van achteren’.    

Gera beschreef het kantoorleven in één van haar brieven over vroeger, geschreven aan kennissen en deels gepubliceerd door de Historische Vereniging Oud Gorcum. Hilarische verhalen zijn het, waarin ik namen herken die mijn moeder ook wel eens noemde. De strenge juffrouw Van Mil van de typekamer bijvoorbeeld, en haar chaotische vervangster. Of mijn moeder het op kantoor even goed naar haar zin had als haar oudere zus, betwijfel ik. Maar ze vond het wél spannend. Haar eerste baan, haar eerste zelf verdiende salaris: al moest ze dat thuis meteen afstaan, het voelde toch goed.

In de avonduren volgt ze een cursus handelscorrespondentie. In 1928 gaat ze van het tweede naar het derde jaar. Dat is terug te vinden in de Gorcumse kranten. Daarna wordt ze in die kranten niet meer genoemd, terwijl bijvoorbeeld Gera na (en deels naast) drie jaar handelscorrespondentie nog boekhouden en handelsrekenen gaat doen. Waarschijnlijk stopt mijn moeder met de avondschool als ze ander werk krijgt. Dat moet dan na die twee jaar avondschool zijn geweest. En, bedenk ik nu, met die twee jaar avondonderwijs erbij heeft mijn moeder dan inderdaad negen jaar op school gezeten.  

Die avondcursussen zijn oorspronkelijk een particulier initiatief. Sinds 1904 organiseert de Koopmansvereeniging Gorcum, later de Algemeene Koopmans- en Winkeliersvereniging, avondcursussen voor wie door wil leren. De cursussen, gesubsidieerd door de gemeente en later door het rijk, worden gegeven in de Burgerschool voor Jongens aan de Boerenstraat. Overdag zit daar haar latere echtgenoot nog op school (hij is drie jaar jonger dan zij). En later zal diezelfde echtgenoot directeur worden van wat dan de Handelsavondschool heet.  

   links Cor, rechts Clazien

Op kantoor krijgt ze een nieuwe vriendin: Clazien Cornelissen. Waarschijnlijk beginnen Cor en Clazien ongeveer tegelijkertijd bij De Vries Robbé. Dat schept een band. Ze gaan een keer samen op de foto, als ze een jaar of zestien zijn. De jassen waren waarschijnlijk de aanleiding voor het portret. Klaziens moeder en opoe Versluis naaiden ze zelf, van hetzelfde patroon.

Clazien woont in de Warmoesstraat. Voluit heet ze Clazina Pieternella Wilhelmina. Ze werd geboren op 2 oktober 1912. Op de gezinskaart van de familie vind ik een oudere broer en zus, uit 1902 en uit 1907. Er hadden er nog twee kunnen zijn: een eerdere Clazina en een Antonius, maar die overlijden allebei nog voordat ze een jaar oud zijn. De tweede Clazien haalt het gelukkig wel, en is meteen het laatste kind. In 1915 trekt nog een nichtje uit Rotterdam in bij het gezin. Vader Cornelissen is fabrieksarbeider, en later stoker. 
      

woensdag 31 augustus 2011

Jaren van verandering


Op 1 april 1925 neemt Drieënhuizen de melkinrichting van de Tinekeshoeve over. Christiaan du Croo kan wegens ziekte het werk voor de Tinekeshoeve niet meer aan. Hij overlijdt een jaar later, op 21 maart 1926. 


Cornelis Versluijs verliest hierdoor zijn werk. Hij kan gelukkig aan de slag bij suikerfabriek Hollandia aan de Arkelsedijk. Dat werk was volgens mijn moeder voor hem fysiek te zwaar, vooral tijdens de bietencampagne. Toen al had hij vaak last van zijn maag. Dat Drieënhuizen hem na enige tijd terugvraagt voor zijn oude werk als melkrijder is dan ook een uitkomst.

In diezelfde periode gaan de kinderen Versluijs geld inbrengen. Was Frits de eerste? Of mijn moeder?
Frits gaat naar de ambachtsschool waar hij de opleiding tot machinebankwerker volgt. In het digitale krantenarchief vind ik terug dat hij op 31 maart 1927 een getuigschrift krijgt. Hij is dan 17 jaar. Het is niet helemaal duidelijk of hij de dag- of de avondopleiding heeft gevolgd, en wanneer hij precies aan het werk gaat. Op de gezinskaart Versluijs staat als beroep: ‘fabrieksarbeider te Hardinxveld’, zonder data. Op 16 mei 1928 vertrekt hij naar Vlissingen, en op 6 november van datzelfde jaar komt hij weer terug, nog steeds als fabrieksarbeider. Blijkbaar is het lastig om vast werk te vinden.
Mogelijk is mijn moeder hem voor geweest met geld verdienen. Zij komt in 1926 van school en mag als meisje niet verder leren. Ze moet gaan werken, maar wil in elk geval géén dienstje. Zoals steeds meer meisjes in die jaren kiest ze voor een kantoorbaan, bij De Vries Robbé. Haar salaris draagt ze thuis af, aan haar ouders.  

Het gezin Versluijs krijgt op deze manier hogere inkomsten. Op 27 mei 1927 verhuizen ze naar een groter huis in de Keizerstraat. Op A190, in 1929 omgenummerd naar 30. Een huis met een tuintje, waar mijn moeder een eigen slaapkamer krijgt. Gerrit en Jannigje blijven met Gera in hun bovenwoning aan de Vissersdijk. Gera werkt inmiddels ook bij De Vries Robbé, net als haar even oude nichtje Jannigje.   
   
De weduwe van Christiaan du Croo verkoopt de Tinekeshoeve. Het complex krijgt in 1927 een nieuwe bestemming: de slagers van Gorinchem maken er een coöperatief slachthuis van. Gerrit Versluis wordt er ‘corveeër’, staat op zijn persoonskaart. Hij is inmiddels  67 jaar en dus eigenlijk wel aan zijn pensioen toe. Dat is niet goed geregeld, maar de weduwe Du Croo lost het creatief op. Hij krijgt van haar 5 gulden per week. Die haalt hij elke week op bij de notaris, in zijn nette pak. Daarnaast heeft hij drie gulden ‘ouderenrente’ - waarschijnlijk zijn officiële pensioenvoorziening - , plus het geld dat hij als corveeër verdient. Veel is het niet, maar hij komt ervan rond.