woensdag 20 april 2011

Plattegrond boven water

Zou er niet toch iets meer te vinden zijn over de woningen aan de Visschersdijk? Ik besluit het nog een keer te proberen. Het lukt, dankzij het feit dat de woningen zo slecht waren.

In eerste instantie vraag ik naar een bouwvergunning voor het Anna’s hof, in de veronderstelling dat daar bouwtekeningen bij zullen zitten. Dat blijkt begin vorige eeuw nog niet de gewoonte. René van Dijk zoekt voor me uit dat het Anna’s Hofje, genoemd naar Anna du Croo, in 1882 is gebouwd door Anna’s echtgenoot Evert ter Haar. Niet door Du Croo dus. Wel verkocht Evert het in 1908 aan zijn schoonvader. Er is een plattegrond uit 1930. 

Die plattegrond komt voort uit problemen. In 1930 stelt de wethouder van Openbare Werken in de Gorinchemse raad de minderwaardige toestand van de woningen aan het Anna’s Hofje aan de orde. De eigenaar – dat is inmiddels C. van Seters, en die is van de azijnfabriek, weet René van Dijk – protesteert schriftelijk tegen deze aantijgingen. Uit de brief komt hij naar voren als een echte azijnpisser. De wateroverlast in de woningen is de schuld van de gemeente, die te laat is gaan pompen.

Burgemeester en Wethouders vragen daarop advies aan Gemeentewerken. Uit de reactie van de directeur van Gemeentewerken blijkt dat de riolering van het hofje gebreken vertoont. De eigenaar lijkt niet bereid tot reparatie; volgens hem is het riool in orde. Gemeentewerken heeft naar aanleiding van deze kwestie de woningen laten opnemen en meer gebreken geconstateerd. De directeur van Gemeentewerken stelt de raad voor de eigenaar aan te schrijven. 


Dankzij die opname is er een plattegrond van de situatie in 1930. De woningen aan de Visschersdijk blijken bouwtechnisch onderdeel van het Anna’s Hofje. De bovenwoningen hebben een ingang aan de Visschersdijk, de benedenwoningen aan het hofje dat daarachter ligt. Zoiets vermoedde ik al. De woningen A263 en A264 werden omgenummerd naar 36 en 38. Op nummer 36 woonden Gerrit, Jannigje en Gera. Op nummer 38 woonde tot mei 1927 mijn moeder met haar ouders en haar drie broers.

Hun woonkamer was 3.50 bij 4 meter, de slaapkamer was 3 bij 4.75 meter. Halverwege de trap naar boven is een ‘bordes’. Daar sliep mijn moeder. Een keuken is niet benoemd. Wel in het buurhuis, dat van opoe en opa Versluis, die er in 1930 nog wonen. Hun WC is in die keuken, plus een bedstee. Kees en Koos hadden een WC in de slaapkamer. Uit een bijdrage van Nico van Heumen aan Oud Gorcum Varia (nr. 26) kan ik opmaken wat voor WC dat moet zijn geweest. Van Heumen beschrijft de woningen aan de Dalemstraat: ‘Doortrekken was er toen nog niet bij; een emmer water diende voor de doorspoeling’ (p. 50). Wel een ‘watercloset’ dus, aangesloten op de riolering. Maar dat water moest je zelf halen. 

vrijdag 15 april 2011

Tante Ort en ome Rien

Mijn moeder logeerde graag bij ‘tante Ort en ome Rien’ in Vogelswerf. Ome Rien was van het veer tussen Vogelswerf en Kedichem. Samen met tante Ort dreef hij het café bij het veer. Mijn moeder vond het er heel gezellig. Tante Ort kaartte graag met de gasten, en dan mocht mijn moeder de borreltjes inschenken, in leuke kleine glaasjes. En laat naar bed natuurlijk, in een bedstee zonder deurtjes, met een bloemetjesgordijn. Ze bracht er elke dag de geit een kom met het vocht dat bovendreef als karnemelk bezonken was. Dat vond hij erg lekker.















Er waren daar allemaal ongetrouwde broers in huis. In Veen (waar ze ook vaak logeerde, bij de familie van Koos) moest ze altijd al die ooms opnoemen: Rienoom, Manusoom, Japoom, Aartoom, Keesoom.
Aartoom was een rare: hij gooide het eten dat hij niet lustte op oma’s bord. Eén van de ooms had naar goud gezocht in Amerika.
Was dat waar? En had hij wat gevonden?  

In het gemeentearchief van Leerdam vond ik ome Rien: Marinus, een jongere broer van Gerrit Versluis, geboren in Kedichem op 23 november 1866. Hij was dus een oudoom van mijn moeder. Maar wie was ‘tante Ort’? In het bevolkingsregister van Kedichem staat dat Marinus op 18 juni 1901 naar Heukelum vertrok. Het archief van Heukelum ligt in Gorinchem, verhuizen dus maar.

In het bevolkingsregister van Heukelum wordt Marinus op 20 juni 1901 ingeschreven als lid van het gezin van Arie Muilwijk en Willemijntje Zwakhals. Zij hebben 11 kinderen. Eén van hun dochters moet ‘tante Ort’ zijn. Na enige tijd dringt tot me door dat dit dochter Aartje moet zijn, geboren op 4 maart 1872. Op z’n Vogelswerfs – het buurtschap waar zij woonde – werd dat ‘Ort’.
Rien is niet de enige aangetrouwde familie in huis: ik zie nog een weduwe, een schoondochter en vier kleinkinderen op de lijst.
Zoon Jasper vertrekt op 9 februari 1900 naar Amerika. De goudzoeker! Hij geeft het zoeken niet snel op, want pas op 4 maart 1903 is hij weer terug.

Aron de Vries van het gemeentearchief tovert nog een loodzware kaartenbak uit Heukelum tevoorschijn. Daarin vind ik de gezinskaart van Marinus Versluis. Aan de Zuiderlingedijk 282 woont hij met zijn vrouw Aartje, dochter Wilhelmina (die ik ken als ‘Mijntje’), zoon Cornelis (Kees, die het café van hem zal overnemen), vier zwagers en – later – schoonzoon Jan van Ginkel plus kleinzoons Wouter en Marinus.
Zoals Rien inwoonde bij zijn schoonvader, zo woont later zijn eigen schoonzoon in bij hem.
Volgens mijn tante Gera woonde schoonvader Muilwijk voor zijn dood ook in bij tante Ort. Of was het andersom en bleef Ort in het ouderlijk huis? Arie Muilwijk woonde op het adres Zuiderlingedijk 206, een stukje verderop.














Dan blader ik een fotoboek door, samengesteld door Arie Sterk. ‘Spijk in vroeger tijden’ heet het, deel 2, Vogelswerf (Oostvoorne, Deboektant). Op p. 63 zit ome Rien, in zijn veerboot. Het café staat op p. 61, en op p. 64 staat een foto van de veerstoep aan de kant van Kedichem.














Er is ook nog een groepsfoto van een uitstapje voor bejaarden in 1951. Hun namen staan eronder. Eén van hen is Ort. Het bijschrift klopt niet helemaal, tenzij Ort op latere leeftijd een flinke hangsnor ontwikkelde.  

Bij de foto’s vertelt Sterk diverse anekdotes. Zoals deze: ‘In barre winters, als de Linge bevroren was, werd er een pontgat opengehouden door middel van een grote trekzaag met aan de onderkant een zwaar gewicht. Daarnaast werd dan nog een pad gemaakt met stro en zand voor voetgangers. Wie daarvan gebruik maakte moest wel betalen, maar werd, als dat nodig was, ook geholpen. Men kon dan ‘d’n Ouwe Rien’ flink in het harnas jagen en laten brommen, door 10 meter verderop de Linge over te steken’ (p. 63).       

woensdag 13 april 2011

Feest in Kedichem

De ‘Versluizen’ stonden bij ons thuis bekend als een sterk geslacht. Mijn moeders opa, Gerrit, werd 96 jaar. Ook zijn ouders werden indrukwekkend oud. Wie zijn kindertijd doorkwam, kon ook in die tijd een hoge leeftijd bereiken. Vooral de relatief hoge kindersterfte drukte de gemiddelde leeftijd  (De Heimweefabriek, p.16). En natuurlijk was er aan sommige kwalen nog weinig te doen. Je moest het geluk hebben dat je die niet kreeg. 

Mijn moeder vertelde over een bruiloftsfeest van haar overgrootouders in Kedichem. Ze had daar als kind graag naartoe gewild met de Tilbury, maar als ik het me goed herinner mocht ze uiteindelijk niet mee en gingen ze bovendien niet met de elegante Tilbury (van Du Croo) maar met een gewone boerenwagen. Wanneer was die bruiloft?

In het gemeentearchief van Leerdam vind ik mede dankzij de behulpzame Ans Kok de ouders van Gerrit: Cornelis Versluis (geboren op 4 augustus 1831) en Pleuntje van der Plas (geboren op 17 januari 1837). Cornelis en Pleuntje trouwen op 27 maart 1858. Op 27 maart 1908 waren ze dus vijftig jaar getrouwd, maar toen was mijn moeder nog niet geboren. Was het feest dan 10 jaar later, in 1918? Mijn moeder was toen bijna 5. Dan moeten Cornelis en Pleuntje de 60 jaar huwelijk hebben vol gemaakt. Kan dat? De website genlias.nl  biedt uitkomst. Pleuntje overlijdt in 1920, ze is dan 83 jaar. En Cornelis in 1922, 91 jaar oud. Dus dat kan.

Meteen maar even kijken naar hun kinderen. Cornelis en Pleuntje krijgen er in totaal acht. Gerrit, mijn overgrootvader, is de oudste. Hij wordt geboren op 17 februari 1860. Dan komen Willem, Marinus, Arie, Laurens, Cornelis, Maaike en Anna. Anna, hun laatste, is van 18 mei 1881. Alleen Marinus (‘ome Rien’) en Arie (‘ome Aai’) ken ik uit verhalen. De eerste was een populair logeeradres van mijn moeder, de tweede juist niet.

‘Ome Aai’ trouwde met een veel jongere vrouw, ‘tante Lien’. Mijn moeder vond het als kind maar niets dat zijn vrouw steeds bij hem op schoot zat te knuffelen. Dat deden Kees en Koos blijkbaar niet. Ze stond dan verlangend op de dijk te denken: als ik die kant op ga, kom ik thuis. Maar ze moest wachten tot ze werd gebracht, achterop de fiets.
  
‘Tante Lien’ blijkt Mechelina Goverdina de Graaf te zijn geweest (genlias.nl). Op 15 november 1922 trouwt Arie Versluis met haar, in Dussen. Hij is dan 52 jaar, en mijn moeder is 9. Arie overlijdt in 1942, in Heukelum. Waarschijnlijk was die dijk dus de Spijksedijk, die overgaat in de Zuiderlingedijk.

maandag 4 april 2011

Wetenschap van het verleden

Een uitstapje. Jacques Dane van het Nationaal Onderwijsmuseum vertelde me dat een Nijmeegse historicus zich bezighoudt met geschiedenissen van gewone mensen. Via Google is hij snel gevonden: Jan Kok, hoogleraar vergelijkende geschiedenis van de levensloop aan de Radboud Universiteit. Ik stuur hem een mailtje.

Eén van zijn onderzoeksthema’s blijkt het samenwonen van kleinkinderen en grootouders. Met levensgeschiedenissen van gewone mensen kleurt hij in wat daarover feitelijk bekend is. Hij heeft vragen als: hoe vaak kwam het voor, in welke rangen en standen, wat waren de achtergronden ervan. Persoonlijke verhalen geven daarover natuurlijk meer informatie dan het bevolkingsregister.

Die link met de wetenschap maakte dat ik me een recensie herinnerde van een boek over het geheugen. Het boek had een leuke titel, wist ik nog, maar welke, en wie het had geschreven... Douwe Draaisma dus, en hij zou als geen ander moeten begrijpen dat ik als 52-jarige zijn naam niet meer paraat had. 

Deze Douwe Draaisma is bijzonder hoogleraar in de geschiedenis van de psychologie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij heeft zich gespecialiseerd in het menselijk geheugen. Die recensie ging over ‘De heimweefabriek’, waarin Draaisma het reminiscentie-effect beschrijft. En dat is uiteindelijk misschien wel de aanleiding voor dit blog geweest.

Het reminiscentie-effect is iets bijzonders. Rond het zestigste levensjaar begint het. Mensen herinneren zich plotseling heel levendig allerlei dingen uit hun jeugd. Dingen waar ze al jaren niet meer aan hebben gedacht. Dingen die ze vergeten dachten te zijn.
Ik ben geboren toen mijn moeder 45 jaar was. Op mijn vijftiende was zij 60. Ze werd 97. Het reminiscentie-effect heeft bij haar alle kans gehad.

Draaisma beschrijft dat reminiscenties van mensen uitgezet in de tijd een piek vertonen: mensen herinneren zich het meest uit de periode tussen pakweg hun vijftiende en hun dertigste levensjaar. De top ligt rond de twintig, en die wordt hoger naarmate mensen ouder worden.
Herken ik dat? De meeste verhalen van mijn moeder gaan over de tijd waarin ze nog thuis woonde maar geen klein meisje meer was en over de oorlog. Zo ongeveer vanaf haar tiende (1923) tot haar vijfendertigste (1948). De oorlog vormt de piek, en die begon rond haar zevenentwintigste verjaardag (14 mei 1940). ‘De breedte van de hobbel varieert wat’,  stelt Draaisma, ‘maar telkens is er die bult gevolgd door een dal’ (pagina 65).











Draaisma heeft meer geschreven. ‘Vergeetboek’ bijvoorbeeld. Ga ik lezen. ‘In het vergeetboek raken’ is een uitdrukking die mijn moeder vaak gebruikte. Uiteindelijk raakte alles wat ze meemaakte ogenblikkelijk in dat vergeetboek. Deels was dat een zegen. Het reminiscentie-effect was dat niet altijd. Ze herinnerde zich soms iets wat ze liever voorgoed was vergeten.

woensdag 30 maart 2011

Meer over O.L.S. no. 1

O.L.S. no. 1 had, blijkens een jaarverslag van de gemeente Gorinchem uit 1917, in oktober 1917 in totaal 278 leerlingen: 144 jongens en 134 meisjes. De stad Gorcum had toen ongeveer 12.500 inwoners.










Op internet vind ik een foto van een klas uit 1914. Geen klomp te zien. Misschien omdat ze die dag op de foto gingen? De meisjes dragen lange jurken. Mijn moeder droeg als kind onder zo’n jurk een lange onderbroek met een ‘kantje’. Na de Eerste Wereldoorlog hebben die onderbroeken snel afgedaan: de mode verandert, de rokken worden korter.

Het gemeentearchief heeft nog een – door Boelhouwers handgeschreven – leerplan uit 1923. Alles staat erin: de schooltijden, de vakanties, de lessentabel en de leerstof. Vijf vakanties waren er: de ‘Paaschvacantie van Witten Donderdag 4 uur tot den tweeden Dinsdag nà Paschen’, de ‘Pinkstervacantie: de Zaterdag vóór en de Dinsdag nà Pinksteren’, de ‘Zomervacantie: vier weken, en wel van den vierden Vrijdag in Juli ’s namiddags 4 uur tot den vijfden Dinsdag daarna’, dan een vakantie die aansloot op de grote najaarsmarkt van Gorinchem in november, waarin de kinderen vrij hadden van zaterdag tot en met dinsdag, en de rest van de week de middagen (vanwege de kermis) plus de maandag daarop, en tot slot de kerstvakantie: van 23 december tot 3 januari. Ook Hemelvaartsdag was een vrije dag.

De kinderen gingen maandag, dinsdag, donderdag en vrijdag van 9.00 tot 12.00 en van 14.00 tot 16.00 uur naar school, en woensdag en zaterdag van 9.00 tot 12.00 uur. Tussen twaalf en twee gingen ze naar huis om te eten. O.L.S. no. 1 regelde ook godsdienstonderwijs voor wie dat wilde. Dat werd gegeven van 16.00 tot 17.00 uur, na het normale middagprogramma. Mijn moeder ging naar ‘zondagsschool’. Bedoelde ze daar deze uren mee? Of was die zondagsschool ergens anders? Ik nam altijd het laatste aan, maar ga nu twijfelen.

‘Eerstbeginnenden worden toegelaten op den eersten schooldag in September’. Voor mijn moeder was dat september 1919. ‘Er zijn zeven klassen met een cursusduur van één jaar’. Zeven jaar naar de lagere school dus. Ze kwam van school in juli 1926, 13 jaar oud. Die ‘zevende klas’ was er niet echt: ze bleef gewoon nog een jaar in de hoogste klas, die van meneer Boelhouwers. Het leerplan voor het zevende jaar bevat wel wat nieuwe leerstof: een beetje algebra (gebruik van letters bij het rekenen), ontleden, naamvallen, wat meer staatsinrichting (bij geschiedenis), iets over licht en elektriciteit (bij kennis der natuur), het spoorboekje (bij aardrijkskunde). Kwam het ervan om die te behandelen in zo’n gecombineerde klas waar klassikaal werd lesgegeven?

Het leerplan noemt de vakken lezen, schrijven, rekenen, Nederlandse taal, vaderlandse geschiedenis (vanaf klas 4), aardrijkskunde (vanaf klas 3), kennis der natuur, zingen, tekenen, lichamelijke oefening (vanaf klas 3), nuttige handwerken en – tussen haakjes – spelen. In de jaren ’60 staat dat handwerken op mijn lagere school nog steeds op het programma. De jongens mochten cijferen. Op O.L.S. no. 1 werden de jongens tot en met de vierde klas ‘bezig gehouden’ tijdens de handwerkles van de meisjes. Daarna kregen ze (meetkundig) rekenen. Er is nog een opvallende overeenkomst. Mijn moeder leerde lezen met de methode Hoogeveen. Ik ook, maar dan in 1965.

















‘Hoogeveens verbeterde leesmethode’ kwam in 1905 op de markt, na een eerste versie uit 1898 (Hoe wij leren lezen, Piet Hagen, blz. 38). De basis was het leesplankje met ‘normaalwoorden’. Daar hoorde een doosje met losse letters bij. En een vertelplaat, waarop Teun met zijn aap centraal staat. Ik vond die plaat in zwart-wit op internet. Het leerplan noemt ook auteurs van leesboekjes die werden gebruikt. Veel namen zeggen me niets, maar Ligthart en Scheepstra ken ik, van ‘Ot en Sien’.  

vrijdag 25 maart 2011

Naar OLS no. 1: de klompenschool

Cor Versluijs ging naar de ‘klompenschool’, zoals Openbare Lagere School nummer 1 in de volksmond werd genoemd. Wie daar op school zat, kon zich meestal geen schoenen veroorloven. In elk geval niet door de week. O.L.S. no. 1 stond aan de Kalkhaven, niet ver van de Vissersdijk.
















Zelf vertelde mijn moeder altijd dat ze 9 jaar op school had gezeten. Ze ging werken toen ze 13 was, en zou dan dus vanaf haar vierde jaar naar school gegaan zijn. De leerplichtwet van 1900 schreef zes jaar onderwijs voor. Ging ze al eerder naar school, of niet? Wat was de praktijk in die tijd? 

Het boek ‘Geschiedenis van de school in Nederland’, van Boekholt en De Booy, schetst de grote lijnen maar geeft geen antwoord op specifieke vragen. Op dus naar het Nationaal Onderwijsmuseum in Rotterdam. Jacques Dane, coördinator collectie en onderzoek, vertelt me dat de onderwijspraktijk heel divers was. Zelfs de leerplichtwet is onduidelijk: moesten kinderen nu van hun 7e tot hun 13e jaar naar school, of van hun 6e tot hun 12e? Vakanties, leerplannen: niets lag landelijk vast. Jacques raadt me aan te gaan spitten in het gemeentearchief.

Maar eerst de grote lijn. Al met al heeft mijn moeder denk ik een heel gewone schooltijd gehad. Schrijven vond ze niet leuk. Dat moest met haar rechterhand, en die had ze zelf waarschijnlijk niet gekozen. Haar lievelingsvak was geschiedenis. Vanwege de verhalen, vermoed ik. In de hogere klassen kreeg ze elke week een boek mee om thuis te lezen. Dat was zo uit, op het portaaltje.

In de hoogste klas zat ze bij meneer Boelhouwers, het ‘hoofd der school’. Aan hem had ze goede herinneringen. Ik vermoed dat hij een toegewijd onderwijzer was. Veel van zijn leerlingen moesten het doen met wat hij ‘zijn’ kinderen meegaf, vooral de meisjes. Voor de jongens volgde vaak nog de ambachtsschool, maar de meeste meisjes moesten zo snel mogelijk geld gaan verdienen. Dat gold ook voor mijn moeder. Tegen die tijd wilde ze dat ook wel, want ze verveelde zich behoorlijk op school. Er was nog weinig differentiatie in de lesstof, en op een gegeven moment waren de leerboekjes natuurlijk gewoon uit.














Frits zat op een andere school, vertelde mijn moeder altijd. Dat zal de Ambachtsschool zijn geweest, in de Haarstraat. Frits was immers van 1909, dus toen mijn moeder 8 jaar was, ging hij al naar het vervolgonderwijs. Het ging er op die school niet altijd even zachtzinnig aan toe. Op een middag kwam Frits maar niet thuis. Koos werd ongerust en toog naar school. Daar bleek Frits in het kolenhok opgesloten te zitten. De 'juffrouw' had hem straf gegeven, en was hem vervolgens vergeten (het zal wel geen juffrouw zijn geweest, daar op de ambachtsschool, maar als achtjarige kon mijn moeder zich waarschijnlijk een 'meester' nog niet voorstellen). 

Mijn moeder bleef tot op hoge leeftijd verontwaardigd over dit incident. ‘Je zóu ze toch!’, zei ze dan, gebarend met haar vuist alsof ze die juf eens flink door elkaar rammelde. 

donderdag 17 maart 2011

Koninklijk bezoek met hoedje

Op 10 september 1919 kwam de Koninklijke familie naar de landbouwtentoonstelling Buiten de Waterpoort in Gorcum. Mijn moeder, 6 jaar oud, ging met haar moeder naar het Eind om te kijken. Naar de Koninklijke familie, wel te verstaan. De stoet reed via het Eind, langs de Gorcumse Lingehaven, naar het tentoonstellingsterrein Buiten de Waterpoort aan de Merwede, waar de koningin een 'défilé der prijskoeien' gepresenteerd krijgt.








foto Fb Oud Gorinchem, geplaatst door Willy Ermstrang



Het was een snikhete dag. De mensen stonden rijen dik, als haringen in een ton. Ze werden in bedwang gehouden door politie te paard. Kleine Cor huilde van angst voor die grote paardenbenen vlak voor haar neus. Het bankje dat Rika van restaurant Merwezicht kwam brengen om op te staan, bood geen soelaas. Ze had nu de konten en de staarten in beeld. Koos probeert haar stil te krijgen: ‘Ssst, stil toch kind, schaam je je niet? Straks hoort de koningin je nog!’ En ja hoor, daar had je ze. Prins Hendrik sliep zowat, onder zijn steek in een veel te warm pak. Willemien was in het wit en droeg een hoed als een slagschip. Het hoedje van de kleine prinses Juliana maakte alle narigheid goed: het was wit, met plissé afwerking. En de kleine Cor had thuis  precies zo’n hoedje, in het geel.









Op de foto van het koninklijk bezoek, uit de Nieuwe Gorcumsche Courant van 3 november 2004, ontbreekt helaas het prinsesje. Van mijn moeder heb ik helemaal geen kinderfoto’s. De enige die er ooit was, schijnt naar haar jongste broer en zijn vrouw te zijn gegaan. ‘Keesje’- voor mij ‘oom Kees’ - zal er ook wel op gestaan hebben. 
           
De tentoonstelling duurde zes dagen en werd gehouden ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de Hollandsche Maatschappij van Landbouw. Zou mijn overgrootvader de tentoonstelling hebben bezocht? Samen met meneer Du Croo? Of zat dat er niet in voor een boerenarbeider in die tijd?

Het digitale archief van de Gorinchemse kranten is een schatkamer. Ik vind erin terug dat Christiaan Du Croo voorzitter was van de commissie rundvee (Nieuwe Gorinchemse Courant 3 juli 1919). Hij was dus een van de organisatoren. ‘Fransje’ van de Tinekeshoeve, volbloed hokkeling, kreeg een eervolle vermelding op de fokveedag die tijdens de tentoonstelling werd gehouden.

Ik stel me voor dat mijn overgrootvader Fransje naar het tentoonstellingsterrein heeft gebracht, door de feestelijke toegangspoort die op 3 december 1976 in het Nieuwsblad voor Gorinchem en omstreken staat afgebeeld in een artikel over Buiten de Waterpoort. Gerrit Versluijs hoefde niet in het woordenboek op te zoeken wat een hokkeling was, maar kon het je zo vertellen: een eenjarig kalf.