vrijdag 18 januari 2013

Geen handvol, maar een landvol


Nicht Maaike, die we kort voor mijn moeder overleed in het ziekenhuis troffen en die er inmiddels zelf ook niet meer is, vertelde dat zij bij ‘oom Kees en tante Koosje’ logeerde toen het net uit was met Leendert. Haar nichtje Cor had daar veel verdriet van. Maar moeder Koos stelde nuchter: 'geen handvol, maar een landvol'.

En inderdaad: Leendert kreeg een opvolger. Cor ontmoette haar Cor in de bioscoop. ‘Je weet nooit wie er naast me komt zitten’, had ze nog gezegd toen ze een plaats koos naast een lege stoel. Dat moet ongeveer in 1937 zijn geweest, want dan duikt ze op in het fotoalbum van mijn vader, na de kampeerfoto’s van zijn vakanties met Cor Scheepmaker. Cor, Cor en Cor: echt handig kan dat niet geweest zijn.












In het Kraaienbos















Ook in het Kraaienbos. 


Het jonge stel neemt foto’s van elkaar, dus ze staan nooit samen op de foto. Behalve op deze, genomen op 16 september 1937 in Amsterdam, bij het huwelijk van Gerrit Versluijs met Nel de Jong. Blijkbaar was mijn vader getuige van dat huwelijk, want onder de foto staat: ‘De getuige… of zij die nu aan de beurt zijn’.



woensdag 16 januari 2013

Vaarwel mijn dierbaar vaderland


Terwijl Cor in Gorcum blijft, zien haar oudere broers heel wat meer van de wereld. Ik vraag hun staat van dienst op, waarin ik kan zien op welke schepen ze hebben gezeten en hoe hun carrière is verlopen.
Ze zien allebei ‘De Schorpioen’ terug: Gerrit verblijft vanaf eind juli 1928 een tijd op dat schip en Frits vanaf begin december 1929.

Op 23 november 1932 vertrekt Gerrit naar Indië. Zijn zus Cor is dan 19 jaar, Gerrit is 20. Hij komt aan op eerste kerstdag. Op 11 maart 1936, ruim drie jaar later, begint de terugreis naar Nederland waar hij op 6 april 1936 aankomt.
Frits vertrekt op 3 juli 1935 en komt op 1 augustus 1935 aan. Op 15 september 1937 is hij weer terug, ruim twee jaar later. Hij is – met opzet – kort voor vertrek getrouwd, op 12 juni 1935. Want wie getrouwd is, hoeft niet zo lang naar Indië.














trouwfoto Frits Versluijs en Cor van den Berg


Van augustus 1935 tot maart 1936 zijn Gerrit en Frits dus allebei in Indië. Frits wordt geplaatst in marinekazerne Oedjoeng, in Soerabaja. Een groot complex, zie ik op de website Maritiem Digitaal. Mogelijk zijn de foto’s hieronder (uit de verzameling van Bep) daar genomen. Wat deden ze al die jaren in Indië, behalve de marinekazerne en het materieel in orde houden? Het Mariniersmuseum in Rotterdam heeft een video over de marine in Nederlands Indië in 1938, waarin de marinekazerne Oedjoeng voorkomt. Misschien moet ik die maar eens gaan bekijken.

Als Gerrit terug is uit Indië, vertelt hij dat oud-Gorcumers uit de Blauwe Torenstraat zich in Indië opeens heel wat voelden, met een sleep bedienden. Je kunt dat ook anders zien: waarschijnlijk vertrokken ze uit Gorcum om het in Indië beter te krijgen en blijkbaar slaagden ze daar heel aardig in. Mogelijk ging dat ten koste van de 'inlandse' bedienden en waren ze daarin niet beter dan anderen. Maar was Gerrit dat wel?

De Blauwe Torenstraat maakte onderdeel uit van de ‘Kussentjesbuurt’ aan het eind van de Vissersdijk, waar die de Blauwe Torenstraat kruist. Het was een buurt waar op neer werd gekeken, óók door het gezin Versluijs. Dankzij de foto die het Gorcums Archief op 21 september 2012 bespreekt, ontdek ik hoe die bijnaam is ontstaan: ‘De woningen waren eigendom van een suikerbakker die als snoepjes ‘kussentjes’ fabriceerde’. Toen ik dat las, hoorde ik mijn moeder zeggen: ‘Wat hebben we het toch goed en waar hebben we het aan verdiend’, zei opoe altijd, terwijl ze sabbelde op een zwart kussentje.















links Gerrit, rechts Frits









Frits


Terug naar Gerrit: twintig jaar is behoorlijk jong om voor drie jaar van huis te vertrekken. Mijn moeder vertelde altijd dat haar broer – heel stoer – niet weggebracht wilde worden, maar erg blij was toen zijn ouders hem toch gingen uitzwaaien. Waar? In Rotterdam? Of in Den Helder? Bij het afscheid werd een ‘vaderlands’ lied gezongen. Dat hoorde erbij. ‘Vaarwel mijn dierbaar vaderland’?


vrijdag 11 januari 2013

Kamperen mét











foto Rienus jr.


Bij de familie Nieuwstad blijft het niet bij wandelingen, fietstochtjes en logeerpartijen. Zij hebben een andere manier van vakantie houden: kamperen. Maar dan wel met de dienstbode erbij (op de foto tussen Rienus sr. en Door) en in driedelig pak. Het middelste jongetje is mijn vader. Van Rienus jr., zoon van Jan (zittend op de voorgrond), hoorde ik dat ze sliepen op stro. Ze hadden een vast adres, bij een boer in Moergestel. Jaren later gaat de familie daar nog steeds naartoe. Gingen ze in de zomer? En hoe lang duurde zo’n ‘kamp’? Ik weet het niet. Wel heeft het kampeervirus om zich heen gegrepen. Veel ‘Nieuwstadten’ houden van kamperen. Mijn moeder ging een keer op bezoek in ‘het kamp’ in Moergestel, maar niet van harte. Dat moet na de foto hieronder zijn geweest, want op die foto vindt mijn vader (rechtsonder) de dochter van de boer nog erg leuk. Later kampeert mijn moeder nog heel wat af met haar eigen gezin, want voor haar man Cor hoort kamperen er gewoon bij.




Links Door met Betsie, in het midden Rienus sr. Arnold zit links midden (wit shirt). Helemaal rechts Jan. De boer en boerin zijn donker gekleed. Plus meer Nieuwstadten en de kinderen van de boer.


Uit een oud fotoalbum blijkt dat mijn vader als ‘jongeman’ van een jaar of 19, 20 op fietsvakantie ging met zijn vriend Cor Scheepmaker. De tent ging mee. Ik kom bestemmingen tegen in Luxemburg (Arlon, Bouillon: ‘1000 km op de fiets!’, staat trots in het album) en België (Namen, Brussel: ‘Pech! Een kapotte versnellingsnaaf. Fr 28 reparatiekosten’).










Luxemburg, ca. 1935











Belgie 1936


Hun wereld was toen al groter dan die van Cor Versluijs. Rienus jr. vertelde dat zijn vader Jan een keer met mijn vader naar Parijs zou fietsen. Ze zijn er meen ik nooit aangekomen. Van Rienus sr. kregen ze introductiebrieven mee voor de burgemeesters van enkele plaatsen die ze onderweg zouden aandoen, in het Frans. Die brieven bleven natuurlijk ongebruikt, maar laten zien hoe graag Rienus sr. ‘belangrijk’ was. Hij kwam op voor ‘de gewone man’, maar maakte daarmee van zichzelf graag een uitzonderlijk persoon.  


zondag 28 oktober 2012

Even ertussenuit


‘Even pauze’, dacht ik in maart. ‘Even van de zomer genieten’, dacht ik in juli. Nu is het eind oktober en pak ik eindelijk de draad weer op.
Ging de familie Versluijs er wel eens tussenuit? Voor vakanties zoals we die nu kennen, was geen geld. Voor uitstapjes soms wel.

Zo ging Cor een keer met haar ouders met de boot naar Oostvoorne. Reizen per boot was in die tijd heel gebruikelijk. Helaas werd het een saaie dag. Want Koos ging – volgens Cor – alleen mee om ervoor te zorgen dat Kees geen borreltje nam. Waarop Kees dan maar koos voor een dutje op het strand.  

Koos vertrok ook een keer met Cor naar Rotterdam, waar ze een (willekeurige) tram namen om een nicht van Koos op te zoeken. Die tram reed maar door en op een gegeven moment was het eindpunt bereikt. Toen de trambestuurder informeerde waar ze naartoe moesten, wist Koos geen adres. Zij was blijkbaar gewend dat mensen wel zouden weten waar haar nicht woonde. Moeder en dochter gingen onverrichter zake weer naar huis.

Cor plande zelf haar uitstapjes wat beter. In 1928 organiseert ze, 15 jaar oud, op Hemelvaartsdag voor een stel vriendinnen een wandeling naar Vogelswerf. Ze weet dat ome Rien hen wel gratis de Linge zal overzetten, zodat ze een andere route terug kunnen nemen. Ze hebben geluk, want Mijntje – de dochter van tante Ort en ome Rien, getrouwd met Jan van Ginkel – heeft net een zoon gekregen dus het is feest in het café bij het veer. Ze krijgen allemaal limonade en beschuit met muisjes: een traktatie. Vanwege die zoon kan ik de wandeling dateren: Wouter van Ginkel wordt op 23 mei 1928 geboren.
Mijntje en Jan herinner ik me nog goed. Mijn moeder nam me af en toe mee naar Heukelum, waar ze later woonden. Tussen de foto’s van Bep vind ik een foto van Mijntje op latere leeftijd.


















Hemelvaartsdag leent zich goed voor uitstapjes. Waarschijnlijk een jaar later wil ze graag met vriendinnen op de fiets naar de Roestelberg.  Maar ja: Klazien en zij hebben geen fiets. Daar vinden de meiden iets op. Klazien is klein van stuk en 'leent' de fiets van Kees jr. En Cor vraagt bij opoe ‘voor eventjes’ de fiets van ‘Zus’ te leen. De dames hebben net genoeg geld voor de veerboot. Brood nemen ze mee en als ze onderweg dorst hebben, bellen ze ergens aan voor water. Bij een arbeiderswoning, want daar had je de grootste kans op succes.

Als ze met het veer terugkomen, zien ze Gera en Kees al kwaad op de kant staan. Die hebben de hele dag zonder fiets gezeten. Daar weten ze ook wel wat op. Zodra de loopplank ligt, geven ze ieder hun fiets een flinke zet en nemen zelf de benen. Gera en Kees moeten eerst hun fiets zien op te vangen, dus Klazien en Cor hebben een flinke voorsprong.

Thuis bedenken Kees en Koos dat het toch eigenlijk te gek is dat Cor geen eigen fiets heeft. Dus Kees haalt er een voor haar, op afbetaling, bij Romein(?). Die kende hij nog uit Kedichem, dus daar kreeg hij wel krediet.  

vrijdag 9 maart 2012

Van Vries Robbe naar atelier

In 1929, misschien al in 1928, krijgt Cor Versluijs ander werk. Ze kan aan de slag bij kleermaker Jelle van der Meer aan het Eind, op nummer 42. Jelle was een Fries, en hij trouwde een Zeeuwse. Gingen ze in het midden wonen? Dochters Co en Brechta werkten in het atelier, en Cor kwam erbij. Ze leerde het vak in de praktijk, want het mocht niets kosten. Ook al was zij het die de (maat)pakken knipte om ze zo zuinig mogelijk uit de stof te halen, haar coupeusediploma mocht ze niet halen. Dat stak.

Waarom die overstap? Ik vermoed dat kantoorwerk haar niet lag. Bovendien hield ze van handwerken, én van mooie kleren. Opoe naaide voor het gezin, maar opoe was niet zo precies en bovendien was ze op leeftijd: in 1929 werd opoe 68. Als Cor er goed uit wilde zien – en dat wilde ze – dan moest ze daar zelf voor zorgen. Dat deed ze. Al snel naaide ze thuis voor het hele gezin, in de avonduren. Ze was nooit klaar. Daar klaagde ze later flink over, maar: ze zei ook geen nee. Dat lag in die tijd nog wat lastiger, maar iets minder hard werken had vast wel gekund. Soms vond ze het ook gewoon leuk: ze maakte graag kleertjes voor haar nichtje Bep.

Bij Van der Meer ziet ze de achterkant van de crisisjaren. Ze keert er heel wat pakken voor ‘rijkelui’ met veel ‘poeha’. En de meiden lachen heel wat af. Veel Gorcumers hebben bijnamen. Zo ook ‘de tar’, waarschijnlijk een man met uitpuilende ogen. Brechta van der Meer is niet zo’n licht. Als ze beneden voor hem opendoet, horen Co en Cor haar zeggen: ‘Dag meneer Tarbot’. Het kost moeite om hun gezicht weer in de plooi te krijgen tegen de tijd dat hij boven is.

Cor blijft bij Van der Meer tot ze zelf gaat trouwen. Dan wordt ze ontslagen, zoals in die tijd nog gebruikelijk was. Als Jelle haar terugvraagt omdat haar huwelijk wordt uitgesteld vanwege de oorlog, en veel klanten nog snel een pak willen laten maken, óók vanwege die oorlog, peinst ze er niet over. Hij bekijkt het maar. Zijn dochter Co blijft ze af en toe zien. Ik herinner me haar nog, van theebezoekjes.

vrijdag 24 februari 2012

Betsie

In september 1929 krijgt mijn moeder haar eerste nichtje. De vijf broers Nieuwstad krijgen ongeveer 8 maanden later hun eerste (en laatste) zusje: Betsie. Op 30 april 1930 wordt ze geboren: Elisabeth Catharina Maria Cornelia Nieuwstad. Haar ouders hadden waarschijnlijk nog wat meisjesnamen op de plank liggen. Door krijgt haar Betsie zo’n beetje als verjaardagscadeau. Op 29 april, één dag voor de bevalling, is ze 39 jaar geworden. Ze is dolgelukkig met haar dochter, een teer poppetje vergeleken met haar intussen nogal massieve moeder. 

















Door is in de jaren voor de komst van Betsie behoorlijk uitgedijd. Ze had het aan haar schildklier, én ze snoepte graag. Toen ze zich verloofde met haar Rienus zag ze er nog heel anders uit. Ze draagt bij die gelegenheid een imposant hoofddeksel. Van daar naar de alpinopet van haar latere schoondochter (ook bij een verloving gedragen) is een lange weg, die de mode toch in een jaar of twintig zal afleggen. 





















De broers van Betsie gaan haar enorm verwennen. Dit zijn waarschijnlijk de jongste twee: Rinus jr. (links, denk ik) en Theo.














Bep en Betsie hebben iets gemeen: ze zijn allebei de enige dochter van hun ouders. Gera en Dries krijgen verder geen kinderen. Door en Rienus – na Betsie – ook niet meer. Later spelen ze samen op de bruiloft van hun tante en broer. Zover is het nu nog niet.

donderdag 26 januari 2012

Tante Cor

Het valt niet mee om de chronologie vast te houden. Waar komt Dries – uit post 35 – opeens vandaan? Voor mij is hij ‘oom Dries’ en ik ken hem als een klein mannetje met lachende ogen. Hij was beslist niet de eerste aanbidder van Gera, die volgens mijn moeder altijd ‘veel aftrek’ had. Maar hij kreeg haar. Vandaar misschien die lachende oogjes.
Andries Elkerbout, geboren in 1898, trouwde op 14 februari 1929 met Gerardina Versluijs. Hij was kleermaker. Hun dochter Berta (Bep) wordt op 3 september van datzelfde jaar geboren. Een trouwfoto is er niet, wel een foto van baby Bep.
















De familie Elkerbout was in 1903 naar Gorcum gekomen, dus Dries zat in Gorcum op school. Gera en Dries wonen kort in de Gasthuissteeg, maar verhuizen op 3 maart 1930 naar de Visserslaan (een zijstraat van de Vissersdijk).











Gera en Dries kenden elkaar waarschijnlijk vooral van de Gorcumse gymvereniging OKK (Oefening Kweekt Kracht). Dries kon geweldig turnen, hoorde ik van Bep, hij mocht al heel jong meedoen met de senioren. Dat had ik niet achter hem gezocht! In de fotocollectie van Bep zitten schitterende foto’s van een soort ‘opvoeringen’. Hieronder zit Gera linksonder, Dries is denk ik de vierde man van links. Mijn moeder was ook lid van OKK, maar daarvan zijn geen foto’s bewaard gebleven.

Op haar zestiende werd mijn moeder dus ‘tante Cor’. Haar nichtje was haar dierbaar; ze hielden altijd contact. Bep heeft nog een foto waar ze als klein meisje samen met haar moeder en tante (met hoed) op staat. Waarschijnlijk is die foto genomen in het Dalemse veld.